Ironbutt 1997

U kent ongetwijfeld de bekende film “The Canonball run”, een film waarin op hoogst illegale wijze met zwaar opgefokte auto’s van de ene kant van Amerika naar de andere kant wordt gescheurd, waarbij een aantal bekende acteurs de verkeersregels op een humoristische wijze aan hun laars lappen.

Het is puur film maar toch bestaat deze race echt onder de naam “The Iron Butt “, zij het in een iets andere versie. Iedere twee jaar starten een aantal motorrijders voor een supersnel rondje Amerika. In elf dagen tijd moeten tussen de 13.000 en 20.000 kilometers worden afgelegd. Als u dit gaat berekenen betekent dit globaal dat dagelijks met een snelheid van 130 km/uur ongeveer 20 uur op de motor doorgebracht moet worden. Een helse opgave voor mens en machine. 99% Van het deelnemersveld bestond in 1997 uit machines met een cilinderinhoud van meer dan 1100 cc. Honda, Suzuki, Yamaha, BMW, Harley Davidson enz.

In de 1995 editie reed er ook een Duitser, Martin Hildebrandt, mee op een Honda ST 1100, hij behaalde uiteindelijk een 3e plaats. Tijdens die race werd z’n aandacht getrokken door een Amerikaan die op een 250 cc Honda Helix scooter de rit wist uit te rijden. Het was de lichtste motor die ooit deze race uitreed. Dat record wilde de Duitser wel even scherper stellen.
Onderstaand leest u het verslag van het drie uur durend gesprek dat onze toenmalige voorzitter Piet met hem had.


Mijn naam is Martin Hildebrandt en ik woon in Stadthagen in de buurt van Hannover. Mijn vader was vroeger Zündapp handelaar en verkocht grasmaaiers en buitenboordmotoren. Uiteraard kwam ik toen reeds in contact met Zündapp, maar ik had geen geld om er één te kopen. Toen ik wel geld genoeg had was ik al te oud en had liever een auto. Nadat ik in 1995 voor de eerste maal “The Iron Butt” gereden had en een Amerikaan op die Honda scooter van 250 cc de race zag volbrengen had ik al een vaag idee om dit met een nog lichtere motor te gaan doen om het record te breken. Dit bleek geen eenvoudige opgave te zijn. In de loop van 1996 heb ik diverse Italiaanse motorfietsen getest en heb uitvoerig gesproken met handelaren in Japanse motorfietsen. Iedereen verklaarde mij voor gek om 11 dagen volgas door Amerika te rijden met een machine die zoveel toeren maakt. De gunstigste opinies waren dat de machine het hooguit twee dagen vol kon houden. Dit was niet erg bemoedigend. Op een zomeravond dacht ik ineens terug aan de Zündapp’s van weleer.

In overleg met mijn vader heb ik toen twee KS 175 machines gekocht. 

Een rode in slechte staat en een zilvergrijze die in goede conditie was. Na enkele helse proefritten had ik reeds drie vastlopers gehad. Mijn vader haakte af omdat het voor hem onmogelijk leek om met een inmiddels meer dan 20 jaar oude tweetakt motorfiets iets te gaan doen wat voor een moderne 1100 cc al een bijna onmogelijke opgave was. Ik was ook al door anderen totaal gestoord verklaard dus dat kon er ook nog wel bij.
Ik ben echter stug doorgegaan en kwam in contact met de op Zündapp gebied in heel Europa gekende Randy Snell. Na intensief contact bleek dat ik het vanaf het begin verkeerd gedaan had. Ik had 1/50 gesmeerd volgens het boekje. Randy gaf mij de raad om voor continu volgas gebruik 1/35 te gaan smeren met synthetische olie. Vanaf die tijd heb ik in ieder geval geen problemen meer gehad. Randy heeft zonder de motor op te voeren het blok grondig gereviseerd met originele onderdelen. Vervolgens heb ik de machine enkele duizenden kilometers duchtig aan de tand gevoeld. Naar Kiel, naar Zuid-Duitsland en dit allemaal volgas. De motor gaf geen krimp en liep als nieuw. Ik besloot om de gok te wagen en de “Iron Butt” op de KS 175 te gaan rijden!

IronButt1

Natuurlijk moesten er enkele aanpassingen aan de machine gedaan worden. Er is een tank gebouwd van aluminium met een inhoud van 11 Gallons, het maximum wat meegenomen mag worden. De tank is ondanks zijn grootte niet echt lelijk maar het ontsiert de slanke KS 175 toch wel een beetje. De zitbank is ingekort en breder gemaakt voor een betere zitpositie.
Er is een GPS-navigatiesysteem gemonteerd en een digitale temperatuurmeter. De temperatuur baarde mij grote zorgen omdat deze regelmatig boven de 150°C uitkwam, daarom werden nog twee extra luchthappers gemonteerd. In augustus 1997 werd het hele spul met de KLM naar Amerika gestuurd. Onderweg op het vliegtuig herinnerde ik mij plots dat de sleutels nog op de keukentafel lagen. Ik regelde het zo dat de firma DHL ze zo spoedig mogelijk zou bezorgen. Na wat gefriemel met de bedrading kon ik de machine wel starten maar de verlichting deed het dus niet. 
De rit van het vliegveld naar de start ging dwars door Chicago en dat in volslagen duisternis zonder verlichting! Tot overmaat van ramp bleek ook dat enkele enthousiastelingen de machine in het vliegtuig verkeerd hadden gesjord zodat de temperatuursensor beschadigd was. Er was een grote lek. Enkele uren voor de start, na ongeveer alles geprobeerd te hebben wat op de markt is, kreeg ik de lekkage gestopt. In een laatste wanhoopsdaad heb ik er toen “Bars-Leak” ingegooid. Ik had geen vertrouwen in zulk spul maar had gelukkig geen lekkage meer.
Toen ik in Chicago aan de start verscheen werd er op z’n minst toch wel wat vreemd gekeken en er werd bovendien grof geld ingezet. Bij het vertrek stond het 20 tegen 1 dat ik de race niet uit zou rijden met die lichte onbekende tweetakt machine van welgeteld 163 cc.

IronButt2

Met een totale belasting, berijder inbegrepen, van 225 kilo op de machine ben ik dan uiteindelijk gestart. In de eerste nacht reeds begaf mijn spanningsregelaar het en de GPS had ik net zo goed thuis kunnen laten. Ik had geen achterlicht meer en geen instrumentenverlichting. De eerste etappe heb ik samen met een vriend gereden. Deze reed op een Indian Chief uit 1946. Die machine verbruikte echter zoveel olie dat hij moest stoppen. Dat was de eerste uitvaller.
De Zündapp deed het echter voortreffelijk. Van een vriend kreeg ik een LED-fietslichtje. Dat heb ik op de achterspoiler gelijmd en moest fungeren als achterlicht. Iedere 5000 kilometer moest ik ook mijn ketting vernieuwen. Dat was erg veel mede, omdat ik toch kwalitatief goede en dure IWIS-kettingen gebruikte. Ik denk dat het door de zware belasting kwam.
In Amerika kon ik ook geen goede synthetische tweetaktolie vinden. Mede dankzij de hulp van Castrol heb ik dan 30 liter heel speciale tweetakt race-olie kunnen bemachtigen.

IronButt3

Thuis in Duitsland had ik bijna alle oude rubbers van de machine vervangen. Bijna allemaal, want de uitlaatrubbers was ik vergeten. Deze braken dan ook af in de woestijn ergens tussen Florida en Californië. Met behulp van allerlei elastieken en rubbers heb ik geprobeerd de zaak bij elkaar te houden maar niets hield langer dan enkele tientallen kilometers. Een paar goede veters uit een supermarkt brachten uitkomst. Met de veters aan de uitlaat heb ik de race uitgereden. Ook de banden waren een probleem. Nergens in Amerika zijn 3.50 x 18 banden te koop. Met veel pijn en moeite hebben we toch een achterband gemonteerd. Met een mes en een vijl werd deze net smal genoeg gemaakt zodat de band niet aanliep. Via de kustweg van Californië ging het dan naar het Noorden. Gemiddeld 20 uur per etmaal op een motorfiets met volgas vergt enorm veel van je lichaam. Ik sliep gemiddeld niet meer dan drie uur per etmaal en dat soms zittend op de motor. Probeer maar eens te slapen op een volgepakte KS 175 die op zijn middenbok staat! Toen kwamen de Rocky Mountains. Alleen het idee al. In de derde versnelling constant volgas de berg op terwijl de andere deelnemers me inhaalden. De snelheid kwam praktisch niet boven de 60 kilometer per uur. Naar beneden ging het dan weer zo gevaarlijk loeihard dat ik al de anderen weer te grazen nam. Het waren ontelbare beklimmingen en afdalingen, maar de Zündapp bleef heel.
Dat kon niet gezegd worden van mijn lichaam, want door koude en vermoeidheid was ik aardig verzwakt. Na de bergen kwam de laatste etappe. Met tegenwind van 100 km/u moesten er nog enkele honderden kilometers afgelegd worden voordat Chicago in zicht kwam. Ik heb nog nooit in mijn leven zo ontzettend afgezien maar een kwartier voor de officiële eindtijd ben ik dan uiteindelijk volledig uitgeput over de finish gereden.
Ja, U leest het goed ik had nog slechts 15 minuten over. Ik was totaal kapot maar ook vervuld van een immens grote trots. Op elf dagen tijd legde ik 8.451 mijl af (± 13.600 km), gemiddeld zo’n 1.236 km per dag dus. Met een totaal van 25.521 punten eindigde ik op een 41 ste plaats op een deelnemersveld van 61!
Mede door de kwaliteit van Zündapp en de inzet van Randy Snell heb ik het record scherper gesteld en de finish gehaald. Hieruit blijkt dat een Zündapp van inmiddels meer dan 20 jaar oud nog beter is dan een vergelijkbaar hedendaags model. Het was de bedoeling dat als dit zou slagen de machine bij de Zündappshop “Massink” in Steenderen tentoongesteld zou worden. De machine staat nu echter in een speciaal museum in Chicago in de staat zoals ik er op gereden heb.
Rest mij nog te vermelden dat ik pas 10 weken na de race weer een beetje normaal kon lopen.
Ik heb revalidatie en medicijnen nodig gehad om mijn lichaam weer in de normale conditie te krijgen”.

(red: informatie over de IronButt vindt U hier: http://www.ironbutt.com/)